Wandelroute 20. Kootstertille - Zwaagwesteinde

Afstand: 9,5 km
Duur: ± 2 uur
Ondergrond: De route loopt deels over onverharde zandpaden
Honden: Op openbaar terrein zijn honden toegestaan.
Geopend: januari t/m december
Streekverhalen: open pagina
Kaart: geen kaart beschikbaar
Gps: geen gps route beschikbaar
printen: printversie

Begin- en eindpunt
U begint uw wandeling in het centrum van Kootstertille en eindigt in bij het station in Zwaagwesteinde.

Kootstertille
De naam Kootstertille verwijst naar de hoge brug, Tille in het Fries, over het voormalige Kolonelsdiep. Dit kanaal werd in 1571 gegraven in opdracht van Caspar di Robles. Deze Spaanse kolonel was aan het begin van de Tachtigjarige Oorlog stadhouder van Friesland en Groningen.

Friesland heeft goede en slechte herinneringen aan Caspar di Robles. In zijn strijd tegen de opstandige Friese steden was hij medogenloos. Maar hij was ookj de enige die daadkrachtig ingreep na de Allerheiligenvloed die in 1570 drieduizend Friesen het leven kostte. De dijken moesten na deze grote overstroming dringend worden hersteld. De Friesen konden echter niet tot overeenstemming komen over de kosten, waardoor de jaren volgend op de vloed oogsten verloren gingen. Caspar di Robles zorgde dat de dijken, met name rond Harlingen, werden gedicht en versterkt. Op de dijk bij Harlingen werd ter ere van hem een gedenkzuil geplaatst: de Stenen Man.

Beeld op de dijk bij Harlingen

Di Robles werd echter steeds meer gehaat door vriend en vijand. De Spaanse soldaten die al maanden geen soldij meer hadden ontvangen waren erg ontevreden. In 1576 ging hij naar Groningenom de gemoederen te susses. Toen Spanje failliet werd verklaard, werd hij daar door zijn eigen manschappen gevangen genomen.

Zwaagwesteinde
Uw wandeling eindigt in Zwaagwesteinde. De bewoners van dit dorp hadden in Friesland lange tijd de naam ruig volk te zijn. In vertellingen over zijn jeugd in en rond Veenwouden in het begin van de 20ste eeuw noemt Theun de Vries het dorp 'De Zwarte Kuil', vanwege de reputatie van diepe armoede, brutale marskramers en messentrekkers. In ‘Negotie’ beschrijft Wilt Tjaarda (de semi autobiografische hoofdpersoon van De Vries) zijn angst voor De Zwarte Kuil en zijn inwoners. ‘Ik had de kuil nooit gezien, maar de mensen kende ik, zij kwamen uit de plaggenhutten en aardkrotten waarin zij huisden – zo had men mij verteld – langs de deuren met zelfgemaakte boenders en handschrobben en alle soorten koopwaar.’



Theun de Vries

Veel Westereinders woonden in plaggenhutten. Zo’n hut moest in één nacht worden gemaakt. Als de ‘schoorsteen’ ’s ochtends niet rookte, had de eigenaar van het land het recht de hut weer af te breken. Delen van een hut werden daarom vaak van te voren gemaakt. ’s Nachts werd vervolgens met man en macht gewerkt om de hut op te trekken. Hiervoor werd eerst een langwerpige kuil gegraven. Hierdoor hoefden de muren minder hoog te zijn. Vervolgens werd een geraamte van boomstammen en takken opgezet. Soms werd er een voorgevel gemaakt van planken, waarin een deur en raam zaten, maar vaak werd de hut helemaal gemaakt van plaggen. De plaggen op het dak moesten als dakpannen worden gelegd om lekkage te voorkomen. Als de hut stond, werd de grond binnen flink aangestampt. De meeste plaggenhutten hadden een bedstee. Een schoorsteen was luxe, meestal was er alleen een gat in het dak. De laatste plaggenhut van Zwaagwesteinde is in 1939 gesloopt.

Spitkeet in Harkema (Themapark De Spitkeet)



pagina 1

terug naar overzicht