Wandelroute 33. Nijlân - Dokkum

Afstand: 12,4 km
Duur: ± 2,5 uur
Ondergrond: Het 2,7 km lange graspad, de Nijlandsreed tussen Nijlân en Ald Terp is onverhard. De overige kilometers van de routes gaan over verharde wegen en paden.
Honden: Op openbaar terrein zijn honden toegestaan.
Geopend: januari t/m januari
Streekverhalen: open pagina
Kaart: geen kaart beschikbaar
Gps: geen gps route beschikbaar
printen: printversie
Ald Terp
Aan de voet van Ald Terp (Oudterp) ligt de boerderij Obbemasate. In 1511 komt Poppe Obbema in stukken voor als eigenaar en bewoner van een stins op deze plek. In 1512 wordt deze state door de Saksen bezet, vanwege het gerucht dat de graaf van Oostfriesland het gebied wilde aanvallen. Poppe Obbema overleed in 1516 als gevolg van een schot in zijn arm dat hij opliep tijdens een gevecht in Rinsumageest.
De volgende eigenaar van wie de naam bekend is, is Lijwe (Lieuwe) van Wytsma, die in stukken uit 1576 wordt genoemd als eigenaar en bewoner. Wytsma vluchtte in 1580 naar het Belgische Leuven nadat was ontdekt dat hij en zijn echtgenote geheime Rooms Katholieke samenkomsten hielden. Wytsma weigerde het oude geloof af te zweren. Na zijn dood in 1619 keert zijn vrouw terug in Ald Terp. In de Hervormde kerk in Ee hang een ruitvormig rouwbord van zoon Gerryt Wytsma, die in 1652, net als zijn vader als overtuigd Rooms Katholiek overleed.
De state verdwijnt in de loop der tijd uit de vele koopakten die bekend zijn van Obbema. In de 18de eeuw is nog sprake van een ‘huizing en schuur’. Uit 1878 is een aanbesteding bekend ‘wegens het afbreken eener bestaande Huizing en Schuur en het bouwen eener nieuwe Stelphuizing'.

Tibma
Op de grote terp van Tibma heeft ooit een grote stins gestaan: Hobbemasathe, de fundamenten van dit bouwwerk zijn nog aanwezig. De terp is grotendeels afgegraven toen Waterstaat daartoe toestemming gaf. Schepen werden tussen Dokkumer Nieuwe Zijlen en Ezumazijl de smalle waterlopen in het lage land binnengeboomd en vervolgens, gevuld met modder, naar de zandgronden van de Wouden gebracht, waar de vruchtbare grond erg welkom was.

Ee
Ee is een typisch terpdorp, drie straten komen uit bij de kerk waaronder de drie "loanen": Lytse Loane, Greate Loane en Hege Loane. De kerk staat precies in het midden en vormt het centrum van het dorp. Het is een monument en moet rond 1250 gebouwd zijn.
Tot ongeveer 1600 zijn de Mockema’s heer en meester in Ee. Zij voeren een felle strijd tegen de Saksen, die Friesland in 1499 zijn binnengevallen. Zo is bekend dat twaalf mannen (ballingen van de strijd) vanuit de Mockema stins in 1501 hebben geprobeerd het leger van Hugo van Eisenach, die in dienst was van de Saksen, te pareren. Ze hielden lang stand, maar de stins was uiteindelijk niet bestand tegen de honderd extra soldaten en donderbussen (kanonnen) die Hugo liet aanrukken. Zes mannen wisten te vluchten. De overigen werden weggevoerd naar de Sjaardema stins in Franeker, waar ze werden opgesloten in afwachting van hun straf. Vier mannen werden geradbraakt en twee werden gepaald.

  
(beschermd dorpsgezicht Ee)

Boerendorp
Ee heeft lang een echte boerenbevolking, al telde het dorp ook landarbeiders, askruisers, broodvensters, smeden en timmerlieden en een kleine middenstand (grotendeels gevormd door weduwen). De herenbanken in de kerk herinneren aan de standenmaatschappij die het leven in het dorp kenmerkte. Het dorp heeft zwaar geleden onder de landbouwcrisis van 1878. In 1879 telt Ee nog 1085 inwoners, tien jaar later zijn dat er nog maar 993. Toch noemt dorpsdokter Kiestra, de inwoners van Ee rond deze tijd een gezond volkje, want ‘Hja ite har siik oan spek, mar wer sûn oan sûpenbrij’ (ze eten zich ziek aan spek, maar weer gezond aan karnemelksepap).

’t Heeg
Aan de Skieppereed staat een klein boerderijtje met de naam ’t Heeg (of ’t Hoog) vanwege de hoge ligging. Het bedrijfsgedeelte is uit 1926 en ook het woongedeelte heeft een aantal nieuwe muren. Deze verbergen echter oude Friese kloostermoppen, wat betekent dat hier ooit een veel oude gebouw heeft gestaan. Onder de woonkamer van de boerderij bevindt zich en diepe, donkere kelder, die waarschijnlijk uit de middeleeuwen (1200 -1230) stamt. Een restant van de veelbeschreven Aebma Stins?

De trekschuit
U vervolgt uw route over de Skieppereed richting het Dokkumer Grootdiep. Naast het Grootdiep ligt een Jaachpad, een pad langs een kanaal of rivier dat vroeger werd gebruikt door de paarden die een trekschuit voorttrokken, het zogenoemde jagen. Trekschuiten (snikken), zijn lange, slanke scheepjes die werden voortgetrokken door paarden of door de mens zelf. Met de trekschuit werden goederen vervoerd, maar hij was toch vooral bedoeld voor personenvervoer. Onafhankelijk van wind en tij, zorgde de trekschuit voor het eerst in de geschiedenis voor een vervoerssysteem met geregelde vertrek- en aankomsttijden.
De eerste trekschuiten varen in de 16de eeuw, maar het hoogtepunt van dit vervoermiddel lag in de het begin van de 18de eeuw. Het was een redelijke goedkope manier van reizen. Aanvankelijk was de schuit open. Maar 'in dese schuyt men sat te bloot, als son en regen daerop goot', aldus een oud rijmpje. In de loop der tijd kreeg hij daarom een eenvoudige opbouw met een gesloten dak en zijkanten die met zeildoek konden worden afgesloten. In de 18de eeuw werd de hele opbouw uit hout gemaakt. Vaak was er een afzonderlijke, kleine ruimte voor passagiers van 'betere stand'. Deurtjes scheidden deze ruimte af van de roef en het ruim waar het gewone volk zat.


(trekschuit in Dokkum)

Dokkum
Via het jaachpad komt u uit bij de Harddraversdyk in Dokkum, de noordelijkste stad van Nederland. Even verderop komt u op het bolwerk. Wanneer u het water volgt, krijgt u aan uw rechterhand het Admiraliteitshuis, waarin tegenwoordig een museum over de geschiedenis en cultuur van Noordoost Friesland is gevestigd. Van 1596 tot 1645 (dus tijdens de 80-jarige oorlog), zetelde hier een van de vijf admiraliteitscolleges van Nederland. De admiraliteit (marine) hield zich bezig met de bescherming van de handelsvaart en met oorlogsvoering op zee. Door het dichtslibben van de zeearm konden marineschepen Dokkum moeilijker bereiken en verlaten en moest de admiraliteit op zoek naar een nieuwe vestigingplaats. In 1645 verhuisde zij naar Harlingen. Ook de burgerscheepvaart liep terug. Het werd rustiger in Dokkum.


(Admiraliteitshuis - Dokkum)

pagina 1

terug naar overzicht